Floor

Als je op vakantie gaat, zijn er verschillende graden van voorbereiding. Ik heb daarvoor onderstaand modelletje ontwikkeld:

   

Bestemmingsverwachting

 
   

Ze zullen wel hetzelfde zijn als ik

 

Verrassingstolerantie

Ik laat me graag verrassen

1

2

Ik hou niet van verrassingen

3

4

   

Ze zullen daar wel compleet anders zijn dan ik

 

Veel wetenschappers hebben er last van: het gevoel dat de buitenwereld er elk moment achter kan komen dat ze toch niet zo slim zijn als hun titels doen vermoeden. Het gevoel dat je als bedrieger ontmaskerd gaat worden, heet impostor syndrome en komt voort uit twijfel over je eigen prestaties. Heel vervelend, maar je kunt er ook iets aan doen.

 

Bij dezen kom ik uit de kast als non-lezer van Habermas. En hoewel ik zijn werk niet gelezen heb, heb ik er in mijn eigen werk zo nu en dan wel aan gerefereerd. Zonder te verblikken of te verblozen. Habermas is immers op mijn vakgebied voor sommige collega’s een geijkt referentiepunt. Logisch dus, welhaast vanzelfsprekend zelfs, om naar hem te verwijzen. Bijna onbeleefd om het niet te doen. Maar is dit eigenlijk wel oké, praten over boeken die je niet gelezen hebt?

Als buitenpromovendus heb je de unieke kans om onderzoek te doen in beweeglijke praktijken in het hier en nu. Het gros van de buitenpromovendi die naar onze workshops komen, pakt die kans en doet onderzoek naar een verschijnsel dat verbonden is aan hun werk. Het is daarbij lastig om je los te maken van wat je al denkt te weten: veel aannames zijn door je rijke ervaring zo vanzelfsprekend voor je, dat je ze gemakkelijk stilzwijgend verwerkt in je analyse van wat er aan de hand is. Het is echter de bedoeling dat je al die aannames op hun validiteit toetst voordat je ze veilig als feit kunt veronderstellen. Een truc hiervoor is het creëren van een breakdown of the normal.

“Oh, jij bent onderzoeker? Mwah, ik heb daar niet zo veel mee, met onderzoek.” Sommige beroepen kun je maar beter een beetje voor je houden. Huisarts of ICT'er bijvoorbeeld, want dan komen mensen spontaan met hun (digitale) kwaaltjes op consult, terwijl je hier toch ook maar gewoon op een verjaardagsfeestje staat. Of het tegenovergestelde, zoals kampbeul, want dat wekt in de regel zo’n acute weerzin dat je voor je het weet in je uppie staat met je glaasje.

Tussen deze extremen bevindt zich het schemergebied van de advocaten, tandartsen en andere professionals op wie, afhankelijk van de persoonlijke ervaring van de gesprekspartner, met vreugde of afschuw gereageerd wordt. En, zo merk ik vaker, de onderzoeker mag zich ook bij dat rijtje schimmige lieden scharen.

De grootste valkuil voor enthousiaste onderzoekers is dat ze alles op alles willen betrekken. Begrijpelijk, want dat hoort bij enthousiasme, wat komt van het Grieks voor ‘goddelijke vervoering, inspiratie of bezetenheid’, eigenlijk: een god in zich hebbend.

Maar ‘alles’ is heel veel en je kunt, samen met Willem Kloos, wel een God in het diepst van je gedachten zijn, maar daarmee betreed je een andere wereld dan die van de wetenschap. Buitenpromovendi doen er dus beter aan hun enthousiasme ietskes te temperen. Zo heb ik althans zelf ervaren.

Veel buitenpromovendi reserveren de feestdagen voor een korter of langer schrijfsabbatical tussen de kerststol en oliebol door. De drukte van het werk valt weg, de sfeer in huis is vredig, het lukt om in elk geval een paar blokken van enkele uren te reserveren om eens echt aan het schrijven te gaan.

Begin januari kan het dan zoals afgesproken naar de promotor en ergens in maart volgt de eerste reactie. Die is zo vol rode strepen dat de kerst weliswaar snel weer in herinnering is, maar nu zonder het goede gevoel. Ik geef drie waarschuwingen om teleurstellingen te voorkomen.

Wat doet u als uw promotor zegt dat u een begrip verkeerd hebt gebruikt? Vraagt u dan hoe het wel moet? Of verdedigt u uw keuze te vuur en te zwaard? Als u lang over dit antwoord moet nadenken, dan is promoveren wellicht niet iets voor u.

Facebook gebruikt een algoritme om onze timeline te vullen met wat we op basis van eerder gedrag blijkbaar aan voorkeuren ontwikkeld hebben. Toen dit bekend werd, heeft het tot nogal wat verontwaardiging geleid van mensen die zeiden dat ze zelf wilden uitmaken wat ze te zien kregen. De vraag is natuurlijk of we überhaupt buiten een bubbel kunnen kijken, en het antwoord is: nee. We hebben namelijk zelf al een algoritme ontwikkeld waarmee we bepalen wat we wel en niet zien. Dat algoritme komt voort uit ons aangeboren vermogen om verhalen te vertellen. Wat Facebook doet, doen we dus zelf ook, en beter, of beter gezegd: overtuigender.

1. Toen Gregor Samsa op een ochtend uit onrustige dromen ontwaakte, bleek hij in zijn bed in een reusachtig monster te zijn veranderd.

2. Ken je dat verhaal over die man die wakker wordt en merkt dat hij veranderd is in een kever? Ik was een kever die wakker werd en zag dat hij mogelijk een mens was.

3. Toen hij zijn ogen opendeed, ontdekte hij dat hij op bed was veranderd in Gregor Samsa.

Drie auteurs, één verhaal.

Wetenschappers zijn serieuze mensen die noooooit 1 april grappen zouden uithalen. Toch? Want 1 april gaat over fopperijen en wetenschap gaat over waarheidsvindingen; en die sluiten elkaar dus uit. Toch? Nope.

Ook wetenschappers halen wel eens een geintje uit. Hun fopperijtjes zitten vaak verstopt in hun artikelen, en daarom worden ze ook – hoe toepasselijk voor deze maand – wel eens easter eggs genoemd: paaseitjes die je een glimlach kunnen ontfutselen.

Wetenschap is serious business. Soms heeft dat eerste de overhand, soms dat tweede. De belangrijkste vraag is: neem je jezelf als wetenschapper serieus?

De afgelopen maanden ben ik druk in de weer geweest met het schrijven van mijn boek over narratief onderzoek. Dat wil zeggen: de eerste twee hoofdstukken schreef ik vlot want op routine, daarna liep ik vast in hoofdstuk 3, dat ik met omineuze voorzienigheid al ‘Welkom in de blubber’ had genoemd voordat ik eraan begon en besefte hoe ingewikkeld het is om heel precies te beredeneren wat sociale complexiteit eigenlijk is en hoe narrativiteit die beïnvloedt. Daarvoor nam ik mijn hele bagage van 25 jaar theoretisch en empirisch onderzoek naar narratieven kritisch onder de loep om wat al te grote gaten in mijn eigen verhaal te dichten met nieuwe wetenschappelijke inzichten uit uiteenlopende disciplines. En logischerwijs begon mijn verhaal met die nieuwe rijkdom aan inzichten te schuiven – een modderstroom kwam op gang, zeg maar, en ik zat daar middenin. Vele weken later bevind ik me nog steeds in een begeesterende studie naar wat eerst losse eindjes leken en achteraf de toegangspoorten naar geheel nieuwe vakgebieden blijken te zijn. En ik ben er inmiddels ook achter dat ik aan een milde vorm van Tsundoku leid.

Anton Valens voert in Het boek Ont een organisatieadviseur in ruste op, ene Cor Meckering, die als een van zijn vele (uiterst vage, overigens) werkzaamheden druk in de weer is met een proefschrift, en dat al vele jaren.

Ik heb Het boek Ont pas deze herfst gelezen, maar heb al vele buitenpromovendi gesproken die me in meer of mindere mate aan Meckering doen denken. Daarom citeer ik hier wat uitvoerig over ‘de Meckering’ als type buitenpromovendus.

In Ziek van liefde van Ian McEwan is hoofdpersoon Joe Rose een gevierd wetenschapsjournalist op leeftijd. Doordat hij belaagd wordt door een stalker speelt een andere, oudere onvrede op, en dat is ‘dat al de ideeën waar ik mee werk van andere mensen zijn’.

Na zijn studie ging hij op reis, daarna startte hij met een vriend een onderneming die flopte, en toen was zijn kans op een academische carrière voor hem, dan achter in de twintig, verkeken.

The Oxford Dictionary heeft ‘post-truth’ uitgeroepen tot woord van het jaar 2016 en definieert dit als: ‘relating to or denoting circumstances in which objective facts are less influential in shaping public opinion than appeals to emotion and personal belief’.

Het woord is al wat ouder, maar zijn populariteit nam afgelopen jaar een hoge vlucht door de Brexit en de verkiezingen in de US. ‘Nou’, denkt u wellicht, ‘daar zouden wetenschappers nóóit aan meedoen, want die gaan voor de waarheid’.

NWO, de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek die namens de Nederlandse overheid geld verdeelt onder onderzoeksprogramma’s, wist dat financiering van de Event Horizon Telescope letterlijk investeren in een zwart gat was, maar dacht misschien ook dat het dat figuurlijk zou zijn. Weggesmeten geld, dus. Daarom wordt er geen geld meer ingestoken. Maar wetenschapsblad Science heeft de eerste foto van een zwart gat, gemaakt dus dankzij dat telescoopproject, uitgeroepen tot de belangrijkste wetenschappelijke doorbraak van het jaar. Dit is dus pas het begin van een nieuw tijdperk, niet het einde; des te meer reden, zou je verwachten, om te investeren in meer onderzoek, niet minder.